In 1936 deed voor het eerst een Nederlands team mee aan de Tour de France. Nederland was toen al decennialang een topland in het baanwielrennen, maar het wegwielrennen had in ons land lange tijd heel weinig voorgesteld.

Voor een groot deel was dit een gevolg van de ‘Motor- en Rijwielwet’ uit 1905. Daardoor was het in Nederland in principe verboden om wegwielerwedstrijden te organiseren.

In de eerste jaren dat die wet van kracht was, gaf de overheid slechts zeer incidenteel toestemming om toch een koers te laten verrijden.

In latere jaren werd de situatie met name in Noord-Brabant en Limburg iets beter: daar gaven plaatselijke overheden wel regelmatig toestemming om een criterium te organiseren.

Talent

Begin jaren ’30 was er een talentvolle generatie Nederlandse wielrenners opgekomen, die enige successen boekte in internationale wegwedstrijden. Kees Pellenaars werd indertijd gezien als het grootste talent. In 1934 werd hij de eerste Nederlandse amateurwereldkampioen op de weg.

Joris van den Bergh, de keuzeheer van het nationale team dat in 1936 mee zou doen aan de Tour, wilde vanzelfsprekend Pellenaars in zijn selectie opnemen. Kees Pellenaars twijfelde enige tijd, maar wilde uiteindelijk niet mee.

Zijn beslissing was illustratief voor de toenmalige Nederlandse wielercultuur: in plaats van de Tour de France, ging hij in juli liever een paar baanwedstrijden rijden, waarvoor hij een ruim startgeld kon krijgen.

Middelkamp

Een talentvolle renner die in 1936 wel mee wilde naar de Tour, was Theofiel Middelkamp. Deze Zeeuw was op dat moment nog extreem onervaren. Middelkamp had zelfs nog nooit een berg gezien.

Voor de start van de Tour zag hij in Parijs een straatje dat tamelijk steil omhoog liep. Aan zijn ploeggenoot Antoon van Schendel vroeg hij of de bergen die ze in de Tour moesten beklimmen er ongeveer net zo uitzagen als dat straatje.

Van Schendel keek hem verbijsterd aan en antwoordde dat ze de komende weken over bergen moesten rijden die ‘honderd, tweehonderd of vierhonderd keer zo lang zijn als dit bultje’.

Toch was Middelkamps gebrek aan ervaring in de praktijk geen groot probleem: hij bleek tijdens die Tour een behoorlijk goede klimmer en een extreem goede daler te zijn. Tot verbijstering van iedereen won hij zelfs de etappe over de Galibier.

Prijzengeld

Nederlands allereerste Tourheld zou echter nooit een grote liefhebber worden van de Ronde van Frankrijk. De grootste ergernis van Middelkamp was, dat er in de Tour, in verhouding met andere koersen, niet erg veel prijzengeld te verdienen was.

Theofiel Middelkamp zou in totaal driemaal in de Ronde van Frankrijk starten: in 1936, 1937 en 1938. In die laatste Ronde van Frankrijk was Tour-debutant Gerrit Schulte een ploeggenoot van Middelkamp. Schulte reed die Tour de France niet uit. Hij reisde naar Parijs en reed daar een criterium. Schulte won de hoofdprijs: 10.000 frank.

Middelkamp reed die Tour wel uit. Onderweg won hij wederom een etappe. Aan de finish moest hij echter concluderen dat hij in die hele Tour minder geld had verdiend, dan Schulte tijdens dat ene criterium: Middelkamp verdiende 8.000 frank.

Poen

Schulte en Middelkamp besloten om nooit meer terug te keren naar die verdomde Tour de France. Dat er in de Ronde van Frankrijk veel meer sportieve eer was te behalen dan in andere koersen, was een argument dat hen weinig zei.

Beide renners lieten er in interviews geen twijfel over bestaan: ze reden voor de poen, niet voor de roem. "Met roem kan ik geen boodschappen doen", was een gevleugelde uitspraak van Middelkamp.

Door: NUsport/Rob de Haan

Deel en reageer

Net Binnen